Toen de Franse ontdekkingsreiziger
Jacques Cartier in 1534 de Saint Lawrence opzeilde en Quebec ontdekte,
werd hij verrast door een barre winter. Zijn schepen vroren in de rivier
vast en de bemanning moest het maandenlang zonder vers plantaardig voedsel
stellen. Zelfs de sterkste zeebonken verloren snel hun krachten. Hun
tandvlees rotte weg, hun tanden vielen uit, de meesten konden niet eens
meer op hun benen staan. Onderhuidse bloedingen maakten hun ledematen
uiterst bros. hun gewrichten zwollen op, op hun huid verschenen purperen
vlekken, hun pezen werden zwart en de geringste beweging werd pijnlijk.
Toen er vijfentwintig doden waren en vijftien anderen
in kritieke toestand verkeerden, vroeg Cartier een indiaan om raad.
De man bracht hem naar een boom die hij 'anneda' noemde. Hij liet Cartier
zien hoe van de naalden en de schors een extract kon worden gemaakt.
Dat moesten de zieken drinken. Het restant van de naalden en de schors
diende als een papje op de gezwollen benen te worden gesmeerd. Cartier
probeerde de behandeling op twee van zijn mannen uit. Na een paar dagen
waren ze weer boven jan. Alle overlevenden konden met het indiaanse
wondermiddel worden gered.
Een veertiende vitamine?
Terug in Frankrijk, besteedde Cartier
nauwelijks nog aandacht aan de exotische remedie. Scheurbuik bleef bij
lange zeereizen een even gevreesde ziekte als voordien ook al kwamen
de zeelui er in de loop van de eeuwen door ervaring wel achter dat ze
het risico konden verminderen door ook voedingsmiddelen als knoflook
en uien mee aan boord te nemen.
Pas in 1757 beschreef de Britse marinearts
James Lind hoe scheurbuik door middel van citroenen kon worden voorkomen
en behandeld. Het duurde nog tot 1804 vooraleer citroensap bij de marine
een vast onderdeel van het dagelijkse rantsoen werd. In 1865 was ook
de koopvaardij zover.
In de twintigste eeuw trachtten biochemici
de anti scheurbuikfactor in fruit en groenten te identificeren. In 1928
isoleerde de Hongaarse onderzoeker Albert Szent Györgyi een zuur,
dat hij in bijnierschorsweefsel, koolplanten en citrusvruchten terugvond,
maar niet meteen met scheurbuik in verband bracht.
De benaming vitamine C dateert van 1932, toen Amerikaanse onderzoekers
stof met dezelfde eigenschappen uit citroensap isoleerden, Spoedig bleek
dat de vitamine een heilzame invloed op scheurbuik (scorbuut) had, en
dat leverde weer een nieuwe benaming op: ascorbinezuur.
Toen de ontdekking van Szent
Györgyi in 1937 met een Nobelprijs werd bekroond, was ascorbinezuur
al op grote schaal in de voedingsindustrie in gebruik. Het dient daar
vooral als stabilisator, bijvoorbeeld om de smaak van bier in balans
te brengen. Pas later werd ascorbinezuur ook een belangrijke gezondheidsfactor.
Als voedingssupplement is het nu zelfs de best verkopende vitamine.
De relatie tussen ascorbinezuur en scheurbuik
is ondertussen goed gedocumenteerd.
Na zowat twee maanden zonder vers voedsel, raakt de voorraad vitamine
C van het lichaam, uitgeput en treden de beschreven symptomen op. Toch
bleven er enkele vragen. Bij de eerste dierproeven bleek dat totaal
gezuiverd of synthetisch gemaakt ascorbinezuur tegen scheurbuik minder
effectief was als het natuurlijke extract.
Fruit en groenten bevatten - naast ascorbinezuur blijkbaar nog wat anders,
iets dat noodzakelijk is om scheurbuik helemaal meester te worden. Hoogstwaarschijnlijk
was een overblijfsel van dat 'iets' nog in de veel werkzamere, natuurlijke
extracten aanwezig. Bevatten ze misschien nog een andere anti scheurbuik
factor eventueel zelfs sterker dan ascorbinezuur? Ook Szent Györgyi
was zich goed bewust van het feit dat de naam ascorbine zuur niet helemaal
toepasselijk was en vitamine C ten opzichte van scheurbuik te veel krediet
verleende. In 1936 isoleerde hij een complexe substantie uit citroenschillen.
Zijn 'Citrine' bevatte naast vitamine C nog een rits andere stoffen,
maar hij slaagde er niet in die te isoleren en te identificeren.
Szent Györgyi kon wel experimenteel aantonen dat
citrine vaatwandversterkende eigenschappen had. Alle symptomen van scheurbuik
kunnen op het bezwijken van de vaatwanden worden teruggebracht.
Omdat citrine daartegen beter bleek te beschermen dan vitamine C, poneerde
Szent Györgyi dat hij een nieuwe vitamine had gevonden. Hij doopte
ze vitamine P, met de P van 'permeability' (permeabiliteit of doorlaatbaarheid).
Een gezond haarvat moet inderdaad selectief doorlaatbaar zijn.
De haarvaten zijn de nauwste vertakkingen van het bloedvatenstelsel.
Juist doordat de vaatwand daar dun, teer en permeabel wordt, is een
selectieve uitwisseling van stoffen tussen enerzijds het bloed, en anderzijds
de weefsels en het lymfestelsel mogelijk.
Citrine verwierf nooit de status van
een vitamine. Vitamines zijn stoffen die het menselijk lichaam niet
zelf kan aanmaken, ofschoon minieme hoeveelheden voor de gezondheid
vitaal zijn. Als een bepaalde vitamine onvoldoende in het dieet is vertegenwoordigd,
ontstaan karakteristieke deficiëntieverschijnselen (avitaminose).
In dierproeven bleek een citrine arm dieet echter geen deficiëntie
verschijnselen te veroorzaken. De effectiviteit van citrine om scheurbuik
te voorkomen kon al evenmin bij herhalingsonderzoek overtuigend worden
aangetoond. Latere onderzoekers slaagden er niet in de experimenten
van Szent Györgyi over te doen, al werd wel duidelijk dat citrine
het effect van ascorbinezuur versterkte. Blijkbaar bevatte het brouwsel
dus toch wel een of meer co factoren van vitamine C.
Bij Szent Györgyi groeide ondertussen
de overtuiging dat vitamine C niet echt een vitamine, maar veeleer een
voedingselement was. De vereiste dagelijkse innamen ligt aan de hoge
kant, terwijl vitamines per definitie stoffen zijn, waarvan slechts
enkele milligrammen per dag volstaan. De echte vitamine bleef voor Szent
Györgyi vitamine P.
Het ware gezicht van vitamine P
In het begin van de jaren vijftig
identificeerden Duitse onderzoekers een klasse stoffen die ze in de
meeste planten èn in Citrine aantroffen. Ze doopten de stoffen
bioflavonoïden -naar het Latijnse flavus-, geel. Oorspronkelijk
was flavonoïde de naam voor het gele plantenpigment. Het pigment
in citroen is bijvoorbeeld een flavonoïde. De `kern' van de molecule
is altijd identiek, maar aan die kern kunnen de meest uiteenlopende
chemische onderdelen vastzitten, zodat er honderden bioflavonoïden
bestaan.
Wat hun biologisch gedrag, de opname
door het lichaam en werkzaamheid betreft, vertonen de bioflavonoïden
grote en essentiële verschillen. Sommige zijn zelfs toxisch. Het
hoeft ons dus niet te verwonderen dat de experimenten met bioflavoïden
tot de meest tegenstrijdige resultaten leidden en dat vitamine P uiteindelijk
een stille dood stierf. In 1968 verklaarde de US Food & Drug Administration
(FDA) dat stoffen als citrine en bioflavonoïden de naam vitamine
niet verdienen. Medisch waren ze volgens de FDA nauwelijks actief, en
misschien zelfs volkomen onwerkzaam.
Maar, in Europa, en meer bepaald in
Frankrijk, werd het kind niet met het badwater weggegooid. In OPC in
practice - the hidden story of proanthocyanidins, nature's most powerful
and patented antioxydant -(Alfa Omega Editrice, Roma) beschrijft de
Nederlandse wetenschapsjournalist Bert Schwitters hoe de jacht op vitamine
P door een handvol onderzoekers hardnekkig werd voortgezet.
Dat was niet het minst het werk van
prof.Jack Masquelier, die als jong biochemicus na de Tweede Wereldoorlog
aan de Universiteit van Bordeaux de mogelijke toxiciteit van het rode
pigment in het vliesje rond pindanoten begon te onderzoeken. Dat gebeurde
op vraag van de landbouwautoriteiten, omdat al wat overbleef nadat de
olie uit de noten was geperst tot veevoeder werd verwerkt en dus wel
eens grondig mocht worden onderzocht. Masquelier toonde aan dat de rode
stof niet giftig was. Tegelijkertijd wist hij uit het rode vliesje een
structureel verwante,maar kleurloze stof te isoleren, die bij Guinese
biggetjes een aanzienlijk effect op de permeabiliteit van de haarvaatjes
bleekte hebben. Het vaatwandbeschermende effect was veel sterker dan
dat van citrine. Toevallig was de vrouw van de deken van de faculteit
waar Masquelier zijn onderzoek verrichtte. net in die periode zwanger.
Zoals heel wat zwangere vrouwen had ze last van oedeem, vochtophoping
in de weefsels ten gevolge van een verminderde permeabiliteit van de
haarvaatjes. Ze kon nog amper lopen, maar met een door Masquelier bereid
extract was ze in achtenveertig uur genezen.
De basismolecule van het extract was
het monomeer catechine. Twee of drie door koolstof koolstof bruggen
verbonden catechinemoleculen kunnen samen een oligomeer (van het Griekse
oligo, enkele) vormen. Onder invloed van enzymen, kan dat in anthocyaan
worden omgezet. Dat gebeurt bijvoorbeeld als groene bladeren in de herfst
rood verkleuren: enzymen die bij het afsterven van de bladcellen vrijkomen,
veranderen de kleurloze catechineoligomeren in anthocyanen, de pigmenten
die we ook in rode bloemen terugvinden.
Omwille van hun vermogen in
gepigmenteerde anthocyanen over te gaan, doopte Masquelier de catechine
oligomeren "oligomere pro anthocyanen"(OPC). Als er zoiets
als een vitamine P bestaat, dan moest het volgens hem daar worden gezocht.
Vanuit medisch oogmerk of omwille van het effect op de capillaire weerstand,
is OPC namelijk niet langer interessant zodra het in rood pigment is
omgezet. Buiten een zuur milieu, zijn het hoogst fragiele substanties.
We vinden ze ondermeer terug in rode wijn, waar de hoge zuurgraad ze
stabiel houdt, zodat rode wijn altijd rood blijft en nooit verkleurt.
De bijna neutrale zuurgraad van ons bloed is evenwel totaal onverenigbaar
met het bestaan van anthocyanen.
Ook polymeren met vier of meer catechinemoleculen
komen in de natuur voor. De opmerkelijke eigenschappen van deze tannines
(looizuur) zijn al van oudsher bekend. In de naam tannines is het Gallische
'tanno' (eik) nog herkenbaar. Het desinfecterende en
antiseptische vermogen van eikeschors extract wordt al in de oudste
farmacopees geroemd.
In het Engels wordt elk schorsextract
nu 'tan' genoemd, ook als de bruingele run (fijngemalen schors) helemaal
niet van eikeschors is gemaakt. Run wordt niet alleen in de leerlooierij
gebruikt, maar ook om voedsel te bewaren. De tannines die thee, cacao,
koffie, fruit, rode wijn, bier, azijn en groenten hun scherpe smaak
geven, hebben ook antivirale eigenschappen,maar zijn farmacologisch
veel minder interessant dan OPC.
Masquelier maakte duidelijk dat de
bioflavanolen het geheel van catechines, OPC en tannines zich van de
bioflavonoïden onderscheiden. Flavanolen en flavonoïden zijn
wel structureel verwant, maar gedragen zich chemisch en biologisch heel
anders. Dat Szent Györgyi er destijds niet in slaagde het bestaan
van zijn vitamine P aan te tonen, kwam volgens Masquelier doordat hij
zich op de gele pigmenten blindstaarde. Zijn citrine bevatte soms ook
catechine of OPC, zodat het nu eens wel, dan weer niet werkzaam bleek.
In 1948 liet Masquelier zijn eerste
octrooi registreren, waarin hij een methode beschreef om catechine en
OPC in een wateroplossing uit de rode vliesjes van pinda's te extraheren.
In 1950 kwam het eerste vaatbeschermende geneesmiddel op de markt. Het
bevatte OPC uit de vliesjes van pinda's, die toen nog recht vanuit Senegal
naar de oliefabrieken van Bordeaux werden verscheept.
Kort daarop begonnen de Senegalezen
hun pinda's zelf te pellen en moest Masquelier op zoek naar een andere
OPC bron. Hij vond die in de rode coating in de bast van pijnbomen uit
de Landes en octrooieerde ook daarvoor een op water gebaseerde extractiemethode,
die een mengsel van OPC's en andere flavanolen opleverde. Afhankelijk
van de plantaardige grondstof, bevat het extract vijfentachtig tot soms
negentig procent actieve flavanolen. Daartoe worden zowel OPC als catechine
gerekend. Vreemd genoeg zijn cate
chines in zuivere toestand niet oplosbaar en niet stabiel, maar in aanwezigheid
van OPC worden ze dat wel en worden ook zij farmacologisch actief.
OPC werd als een vaatwandversterkend middel op de markt gebracht. Het
oligomeer vertoont een grote affiniteit voor collageen, het eiwit waaraan
de vaatwanden hun stevigheid danken. Collageen bestaat uit paren van
door elkaar gevlochten eiwitvezels, die met dwarsverbindingen verstevigd
zijn. OPC hecht zich aan collageen vast en helpt zo bij de constructie
van de dwarsverbindingen.
Tegelijkertijd bevordert OPC de natuurlijke
vernieuwing en produktie van collageen, maar OPC kan die taak niet alleen
aan. Bij de biosynthese van collageen is vitamine C een vitaal element.
Alle symptomen van scheurbuik bij vitamine C deficiëntie kunnen
overigens op het teloorgaan van collageen worden teruggebracht.
OPC is op dat gebied de krachtigste cofactor van vitamine C. Bij afwezigheid
van OPC is aanmerkelijk meer vitamine C nodig om het organisme gezond
te houden.
Door zich aan collageen te hechten,
beschermt OPC collageen ook tegen afbraak door enzymen. Collageen wordt
voortdurend vernieuwd en moet dus ook worden opgeruimd, maar soms verloopt
de afbraak door enzymen zo ongebreideld dat de vaatwand gaat lekken.
Ook bij ontstekingsprocessen komen deze enzymen in grote hoeveelheden
vrij en overtreft de concentratie snel die van de aanwezige enzym-inhibitoren.
Ontstekingen liggen dan ook vaak aan de oorsprong van een vaatwandaandoening,
zoals in geval van spataders goed zichtbaar wordt. Zowel in Frankrijk
als in de Verenigde Staten kon worden aangetoond dat OPC collageen tegen
deze afbraak enzymen beschermt. Op dezelfde wijze beschermt OPC overigens
ook elastine, een ander belangrijk eiwit in het steunweefsel, dat de
cellen van organen met elkaar verbindt en ook de organen omgeeft. Zoals
bindweefsel dat veel collageen bevat stug en stevig is, zo is bindweefsel
dat veel elastische vezels bevat rekbaar en soepel.
Ondanks het feit dat ze vet eten en zwaar roken, sterven de Fransen
minder vaak aan hart en vaatziekten en worden ze vooral in de wijnstreken
ouder dan op grond van epidemiologische gegevens zou kunnen worden verwacht.
Het verschil tussen rood en wit
Naarmate meer bekend werd over de
eigenschappen en de gezondheidseffecten van OPC, werd ook de zogenaamde
'Franse Paradox' verklaarbaar. Het was onderzoekers al veel eerder opgevallen
dat de Fransen, ondanks dat ze vet eten en zwaar roken, minder aan hart
en vaatziekten sterven dan op grond van epidemologische gegevens zou
mogen worden verwacht.
In 1933 had de Franse onderzoeker Dougnac becijferd dat het percentage
bejaarden in de Médoc aanzienlijk hoger was dan elders in Frankrijk.
Hij telde in de Médoc vierendertig procent meer mensen in de
leeftijd van zestig tot vierenzestig jaar, zevenendertig procent meer
in de leeftijd van vijfenzestig tot negenenzestig, tweeenveertig procent
meer zeventigers en zelfs achtentachtig procent meer tachtigers. Tegelijkertijd
bleek de mortaliteit ten gevolge van alcoholisme in de wijnstreken geringer.
In 1944 toonde de Fransman Lavollay
bij rode wijn een vitamine P effect aan. Bij proefdieren die rode wijn
in hun dieet kregen, nam de capillaire weerstand aanzienlijk toe. Lavollay,
die nog geen weet had van het bestaan van catechine oligomeren, veronderstelde
dat het effect aan het monomeer catechine kon worden toegeschreven en
dat catechine de stof was die Szent Györgyi over het hoofd had
gezien: de Hongaar had geen citrine deficiëntie kunnen opwekken
omdat het dieet van zijn proefdieren nog altijd catechine bevatte.
En toch braken de catechine geneesmiddelen niet door. Catechines hebben
weliswaar een vasculair effect, maar hun geringe oplosbaarheid en hun
beperkte bewaartijd maken ze in de praktijk onbruikbaar.
In 1950 toonde alweer een andere Fransman
aan dat rode wijn beter wordt verdragen dan zuivere, verdunde alcohol
met een gelijk ethanol gehalte. Terwijl alcohol bij ratten een intoxicatie
veroorzaakt, deed rode wijn dat in veel mindere mate. De conclusie luidde
dat rode wijn een natuurlijk tegengif moest bevatten. Het anti toxische
effect bleek sterker naarmate de wijn langer had gelegen.
Het waarom van een en ander werd pas opgehelderd toen ook Masquelier
zich met wijn ging bezighouden. In 1955 toonde hij aan dat OPC een belangrijk
bestanddeel van rode wijn is en dat het gehalte stijgt naarmate de wijn
ouder wordt en dus meer tegen oxydatie moet worden beschermd.
Witte wijn bevat nauwelijks bioflavanolen
omdat hij op een heel andere manier wordt gemaakt. In tegenstelling
tot wat velen denken, heeft de kleur van wijn niets te maken met de
kleur van de druif.
Ook de meeste champagnesoorten worden van blauwe druiven gemaakt. De
druiven worden geperst, waarbij slechts minimale hoeveelheden bioflavanolen
uit de schil in het sap belanden. Bij het bereiden van rode wijn wordt
de hele druif geplet en worden het sap, de schil, de pitten. het vruchtvlees
en zelfs delen van de stengel gedurende twee tot drie weken samen gefermenteerd.
Het mengsel bevat dan ook rode pigmenten uit de schil en heel wat OPC
uit de schil en de pitten. Naderhand wordt alleen het sap verder gefermenteerd,
waarbij veel OPC in de wijn terechtkomt.
De meeste Franse en Italiaanse witte
wijnen, van witte druiven gemaakt, worden op dezelfde manier als witte
wijn uit blauwe druiven bereid. De wijnproducenten willen de voor rode
wijn zo karakteristieke tannine smaak kwijt en verwijderen de zaden
daarom zo snel mogelijk uit het sap.
Oosteuropese wijnbouwers doen dat niet. Hun witte wijn smaakt dan ook
helemaal anders: hij bevat wel OPC.
OPC beschermt tegen cholesterol
Nader onderzoek toonde aan dat OPC
de vaatwand ook tegen cholesterol beschermt. In 1957 verschenen de resultaten
van een onderzoek, waarbij proefdieren op een cholesterolrijk dieet
werden gezet en tegelijkertijd wijn te drinken kregen. De totale hoeveelheid
lipiden in bloed en organen bleek niet alleen geringer dan bij dieren
die hun vet voer met verdunde alcohol mochten doorspoelen, maar zelfs
geringer dan bij dieren die op brood en water leefden.
Zoals bekend heeft het lichaam cholesterol
nodig, ondermeer als bouwsteen van hormonen. Het teveel aan cholesterol
wordt onder invloed van vitamine C door de lever uit het lichaam verwijderd.
Sinds de strijd tegen cholesterol losbrandde, bracht de farmaceutische
industrie allerlei dure cholesterol bestrijdende middelen op de markt.
Het is nochtans al lang bewezen dat een gepast vitamine C gehalte in
de voeding meer resultaat geeft dan een
cholesterolarm dieet.
Het lichaam is namelijk perfect in staat zelf cholesterol aan te maken,
ook de 'slechte' cholesterol (LDL, low density lipoproteins), die zich
aan de vaatwand hecht en zich als een vrij radicaal gedraagt. Een dieet
vol anti oxydanten als vitamine C en OPC neutraliseert het vrije LDL
in de bloedstroom en voorkomt zo schade aan het cardiovasculaire systeem.
In 1976 bewees Masquelier dat OPC
op dat gebied inderdaad een co factor van vitamine C is. Guinese biggetjes
met een tekort aan vitamine C in hun dieet bleken met OPC even goed
te overleven als biggen die voldoende vitamine C kregen. Later werd
bovendien aangetoond dat OPC niet alleen het cholesterolgehalte vermindert,
maar ook het afzetten van cholesterol op elastine in de vaatwand tegengaat.
Wie samen met vitamine C ook OPC inneemt, komt dus met tien keer minder
vitamine C toe. 'Linus Pauling werd met achttien gram vitamine C per
dag drieënnegentig', aldus Masquelier.'Had hij ook OPC gekend,
dan was hij met veel kleinere hoeveelheden vitamine C even oud geworden.'
Van 1972 tot 1978 werd het druivepittenextract
van Masquelier om het als geneesmiddel te kunnen registreren intensief
biologisch, toxisch, farmacologisch en analytisch onderzocht. Om te
bewijzen dat zijn bioflavanolen effectief door het lichaam worden opgenomen
en om na te gaan in welke organen ze dan precies terechtkomen, moest
Masquelier radioactief gemerkte bioflavanolen gebruiken. Planten die
in een artificiële atmosfeer radioactieve koolstof in te ademen
krijgen, zullen bij de fotosynthese gaandeweg in al hun koolstofhoudende
onderdelen radioactieve koolstof opnemen ook in hun bioflavanolen dus,
zodat die na opname in het lichaam van proefdieren kunnen worden gevolgd.
Omdat een pijnboom moeilijk in een artificiële laboratoriumatmosfeer
te kweken is, probeerde Masquelier het met een bonsai wijnrank. Het
feit dat Bordeaux nu elke druivenoogst met bergen pitten bleef zitten,
speelde bij die keuze ongetwijfeld mee. Het bleek een gelukkige keuze,
want druivepitten bevatten erg veel OPC.
Wijn doet het beter dan alle artsen samen
In 1977 werd in dierproeven de uitmuntende
biobeschikbaarheid van OPC uit druivepitten aangetoond. Daartoe werd
OPC ondermeer vergeleken met rutine, een vaak als vaatwandbeschermer
aanbevolen bioflavonoïde. Na orale inname, bleek radioactief gemerkt
rutine
nauwelijks verder te raken dan de ingewanden.
Daarmee bevestigde Masquelier wat toen al in tal van wetenschappelijke
publikaties te lezen was. De bioflavonoïden worden door intestinale
micro organismen afgebroken en kunnen dus nauwelijks tot positieve effecten
leiden. Doordat bioflavanolen chemisch tot dezelfde familie behoren,
worden ze door veel onderzoekers over eenzelfde kam geschoren, maar
Masquelier bewees dat dit niet klopt.
Zijn stelling werd onderschreven door
andere onderzoekers, die in 1979 een negatieve correlatie tussen het
sterftecijfer ten gevolge van ischemische hartziekten (ischemie is plaatselijke
bloedeloosheid) en het verbruik van wijn aantoonden. Een analyse van
de gezondheidsstatistieken van achttien landen leerde dat de volksgezondheid
meer correleert met de wijnconsumptie dan met de beschikbare medische
voorzieningen. Wijn doet voor de cardio vasculaire gezondheid blijkbaar
meer dan alle artsen en diëtisten samen.
In het onderzoek werd geen onderscheid
gemaakt tussen witte en rode wijn, terwijl witte wijn twintig tot vijftig
keer minder OPC bevat. Het alcoholgehalte is evenwel vergelijkbaar,
en nogal wat epidemiologische studies wijzen erop dat een matige inname
van alcohol de incidentie van cardiovasculaire aandoeningen vermindert.
De Framingham-studie spreekt van een
vermindering van het risico met dertig procent bij mensen die meer dan
dertig gram alcohol per maand verbruiken. De Honolulu Heart Study maakt
zelfs melding van een daling met vierenvijftig procent bij mannen die
veertig milliliter alcohol per dag gebruiken. De Nurses Health Study
tenslotte rapporteert een daling met veertig procent bij vrouwen die
dagelijks tien tot vijftien gram alcohol innemen, wat
ongeveer met een pilsje, een glas wijn of een likeurtje per dag overeenstemt.
Het gunstige effect van alcohol op de gezondheid van hart en bloedvaten
wordt ondermeer toegeschreven aan het afremmen van de plaatjesaggregatie.
Alcohol kan de neiging van bloedplaatjes samen te klonteren zelfs met
zeventig procent doen afnemen. Meteen vermindert ook het risico op trombose,
hartinfarct en beroerte, maar de limiet tussen preventief gebruik en
overdaad is erg vaag en wordt al te makkelijk overschreden.
Overdreven alcoholgebruik leidt niet
alleen tot levercirrose, kanker en andere ziekten, maar vergroot ook
het cardiovasculaire risico. In de uren na de alcoholconsumptie wordt
de aggregatieneiging van de bloedplaatjes twee keer zo groot en stijgt
het tromboserisico dus weer. Maar bij Franse wijndrinkers bleek dit
rebound effect niet te bestaan.
Ratten zonder kater
Onlangs wist de Franse onderzoeker
Dr.Serge Renaud aan te tonen dat ook dit effect aan OPC te danken is.
In het januari nummer van het tijdschrift van de American Heart Association
onthulde hij de resultaten van een vergelijkend onderzoek, waarbij hij
ratten maandenlang witte wijn, rode wijn, aangelengde alcohol en aangelengde
alcohol met OPC te drinken gaf. In de laatste groep stemde het OPC gehalte
overeen met dat van de rode wijn (0,03procent).
In vergelijking met een controlegroep die alleen water kreeg, verminderde
de plaatjesaggregatie bij de vier groepen. Maar als dezelfde dieren
achttien uur lang geen alcohol meer kregen, vertoonde de groep die witte
wijn had gedronken een terugslag effect van zesenveertig procent. Bij
de ratten die aangelengde alcohol hadden gekregen, liep dat zelfs op
tot honderd vierentwintig procent. In vergelijking met de ratten die
water hadden gedronken, viel de plaatjesaggregatie bij de ratten die
rode wijn of aangelengde alcohol met OPC hadden gekregen evenwel met
negenenvijftig procent terug.
OPC was met andere woorden goed voor
een verschil van honderd drieëntachtig procent tussen enerzijds
de stijging van honderd vierentwintig procent bij de groep die verdunde
alcohol dronk en anderzijds de daling van negenenvijftig procent bij
de groep die er ook OPC bij kreeg.
Geen wonder dus dat de Franse wijndrinkers dertig tot veertig procent
minder risico op coronaire hartziekten lopen dan mensen die bier of
sterke drank gebruiken. OPC zorgt voor de biosynthese en de integriteit
van de vaatwand. De stof speelt een rol bij het verwijderen van overtollig
cholesterol. Ze belet het neerslaan van cholesterol op elastine in de
vaatwand en ze belet het vormen van plaque vormend cholesterol. Op de
koop toe blijkt OPC ook nog het aggregatie rebound effect tegen te gaan.
Professor Masquelier lijkt dus wel
degelijk de legendarische vitamine P geïdentificeerd te hebben.
Hoe meer hij aan de wijn zat, hoe meer hij er van overtuigd raakte dat
OPC de geheimzinnige co factor van vitamine C is. Daarbij heeft elke
plantesoort haar eigen 'set' bioflavanolen, die zo specifiek zijn dat
ze als een 'vingerafdruk' van de plant gelden. Bij de kwaliteitscontrole
van voedingsprodukten spelen ze tegenwoordig dan ook een belangrijke
rol. Zo heeft ook elke druivesoort haar eigen 'vingerafdruk' die in
de strijd tegen imitatie van en fraude met wijn kan worden opgespoord
om na te gaan of het etiket correct weergeeft wat onder de kurk zit.
Waar planten onze gezondheid positief beïnvloeden, spelen bioflavanolen
volgens Masquelier altijd een belangrijke rol.
Ook in oeroude medicinale planten als hagedoorn en maretak zijn bioflavanolen
volgens hem de belangrijkste actieve stoffen. Zelfs het indianenverhaal
van Jacques Cartier krijgt daardoor samenhang.. De bast van de Canadese
anneda was ongetwijfeld van bioflavanolen verzadigd. De naalden moeten
bovendien heel wat vitamine C hebben bevat.
Masquelier was er al vroeg van overtuigd
dat OPC niet alleen cardiovasculair interessant is. De opbouwende en
beschermende rol voor collageen beperkt zich bijvoorbeeld niet tot de
vaatwand. Ook in het bindweefsel, dat de cellen en organen in heel het
lichaam structuur verleent, draagt OPC bij tot het vormen van de dwarsverbindingen
die collageen steviger maken. OPC bevordert op die manier de stabiliteit
van het bindweefsel, maar onder invloed van vrije radicalen kunnen er
teveel dwarsverbindingen ontstaan. Vrije radicalen zijn atomen of atoomgroepen,
gekenmerkt door de aanwezigheid van een ongepaard (niet magnetisch gecompenseerd)
elektron. Ze zoeken radicaal stabiliteit door elektronen af te staan
of op te nemen en reageren dus met alle moleculen in hun omgeving.
Van nature uit worden in het lichaam
voortdurend vrije zuurstofradicalen gevormd. Ze spelen ondermeer een
belangrijke rol bij de afweer tegen bacteriën en andere vreemde
indringers. Maar niet alleen zuurstof kan zich radicaal gedragen.
Bepaalde industriële processen, ook allerlei stralingen, fotochemische
en andere vormen van vervuiling, brengen een rits vrije radicalen in
de lucht die we inademen, in het water dat we drinken en in het voedsel
dat we eten.
Een onovertroffen anti oxydant
Juist omdat vrije radicalen zulke
hoogreactieve chemicaliën zijn, worden ze door de chemische industrie
op grote schaal gebruikt, bijvoorbeeld bij de synthese van plastics.
In het lichaam worden ze door enzymen in toom gehouden. Naarmate het
organisme veroudert, verloopt de aanmaak van die enzymen evenwel moeizamer
en kan het bijvoorbeeld tot oxydatie van collageen komen. Het grote
aantal dwarsverbindingen dat dan in het collageen ontstaat, is niet
alleen funest voor de vaatwanden, maar ook voor het bindweefsel, dat
stroef wordt en zijn soepelheid verliest.
Uiterlijk uit dat zich in rimpels,
maar ook in het inwendige van het lichaam treden verouderingsverschijnselen
op. Bovendien kunnen vrije radicalen niet alleen het collageen, maar
ook de celmembranen en zelfs het DNA aantasten. Oxydatie door vrije
radicalen is dan ook de gemeenschappelijke factor van de meeste ziekten.
Vrije radicalen worden als de belangrijkste uitlokkende factor bij chronische
ziekten als kanker, cardiovasculaire aandoeningen en cataract (grauwe
staar) beschouwd.
Gelukkig bevat een gezond dieet vitamine
C en E, provitamine bètacaroteen en het sporenelement selenium.
Als anti oxydantia kunnen ze de radicalenbeteugelende enzymen een handje
helpen. In 1985 ontdekte Masquelier bovendien dat ook OPC in sterke
mate tot het opruimen van vrije zuurstofradicalen bijdraagt. Als anti
oxydant bleek OPC zelfs achttien en een halve keer zo performant als
vitamine C. Later toonde Japans onderzoek ook nog eens aan dat OPC het
als anti oxydant liefst vijftig keer zo goed doet als vitamine E.
Als vanger van vrije radicalen helpt
OPC ook bij het voorkomen van de ontstekingsprocessen die bij cardiovasculaire
ziekten een rol spelen. Ze treden op als de vaatwanden al door hoge
bloeddruk, het verzwakken van het bindweefsel, cholesterolproblemen,
enzymatische stress en oxydatieve stress werden beschadigd.
Vaak is de permeabiliteit van de haarvaatjes dan al lang niet meer selectief,
zodat allerlei moleculen in het door de haarvaten bevloeide weefsel
kunnen doordringen.
Tegelijkertijd klonteren de rode bloedcellen samen, zodat ze minder
goed of helemaal niet meer stromen. De gevolgen zijn een plaatselijk
gebrek aan zuurstof, toenemende trombosis, verzuring en een snel stijgende
enzymatische activiteit, die nu niet langer tot de afbraak van collageen
en elastine beperkt blijft. Celmembramen worden opengebroken en het
komt tot een
ongedifferentieerd prolifereren van bindweefsel. De vaatwand wordt onherroepelijk
beschadigd, vloeistoffen gaan stilstaan en een lymfoedeem wordt manifest.
Uiteindelijk vallen de cellen uit
elkaar en degranuleren ook kleinere celcomponenten, waaronder de mestcellen.
Bij het degranuleren van mestcellen komen ontsteking bevorderende stoffen
als histamine vrij, waardoor de permeabiliteit van de haarvaatjes nog
groter wordt. Het oedeem en de bijhorende pijn nemen toe. Alles draagt
bij tot een zichzelf in stand houdend ontstekingsproces waarvan spataders,
die vaak met zwellingen en pijn gepaard gaan, alleen maar een uiterlijk
teken zijn.
Nu komen mestcellen ook overal elders
in het collageen van het lichaam voor en hun degranuleren speelt niet
alleen bij elke ontsteking, maar ook bij elke allergie een rol. OPC
blokkeert de activator van het enzym dat de mestcellen openbreekt en
het erin besloten histamine in geactiveerde vorm vrijstelt. Het ontstekingen
remmende effect dat OPC hierdoor krijgt, werd in 1980 door Hongaarse
onderzoekers aangetoond. Bij ratten die met een
courante ontstekingsremmer (phenylbutazon) werden behandeld, konden
ze twee keer zoveel oedemen opwekken als bij ratten die OPC kregen.
Histamine wordt niet alleen door de
mestcellen geproduceerd. Zowat alle eiwitten van het lichaam bevatten
het aminozuur histidine als een van hun bouwsteentjes. Onder invloed
van een enzym kan histidine in histamine worden omgezet. Al in 1967
toonden Duitse onderzoekers aan dat catechines, de monomere bouwsteentjes
van OPC, het bewuste enzym remmen.
Ze stelden duizend ratten gedurende een half jaar aan maagzweren uitlokkende
stressfactoren bloot. Slechts twintig procent van de proefdieren die
tegelijkertijd catechine kregen, ontwikkelde een acute maagzweer. Later
deed Masquelier het experiment over met OPC uit druivepitten. De produktie
van histamine nam met zesentachtig procent af. De moderne mens staat
aan steeds meer stressoren bloot. Naargelang de individuele biologische
constitutie, reageert het lichaam daarop met ogenschijnlijk erg verschillende
stoornissen, die standaard met roodheid, zwelling, pijn en vochtafscheiding
door ogen en neus gepaard gaan. Bij de ene ontstaan maagzweren en maagbloedingen,
bij de andere reageert de huid overgevoelig en komt het tot psoriasis,
eczeem, netelroos of jeuk. Als de gewrichten het gevoeligst zijn, ontwikkelt
zich reuma. Zijn de neus en de luchtwegen extra kwetsbaar, dan is het
resultaat bronchitis, astma, hoest of hooikoorts.
Dat het histamine remmende OPC ook anti allergische eigenschappen heeft,
werd empirisch al eeuwen geleden ontdekt.
Masquelier stipt bijvoorbeeld aan dat het in Frankrijk gebruikelijk
is de pijn en de zwelling bij een insektenbeet (mestceldegranulatie)
te verzachten door bladeren van drie verschillende planten uit de onmiddellijke
omgeving op de pijnlijke plek te wrijven. De kans is groot dat ze samen
voldoende OPC bevatten om een histamine remmend effect te bekomen.
Van kanker naar cariës
Zulke eenvoudige remedies zijn vandaag
uiteraard niet meer toereikend. Geneesmiddelen tegen ontstekingen en
allergische reacties behoren nu tot de meest voorgeschreven medicijnen
ter wereld. De meeste artsen proberen ontstekingen en allergische reacties
met anti histaminica te bestrijden. Ofschoon OPC nooit als een farmaceutisch
anti histaminicum werd vrijgegeven, werkt het even goed, zelfs als voedingssupplement.
Volgens Masquelier komt dit doordat OPC een sterke anti oxydant is.
Er bestaat een grote variëteit van stoffen die tot het vrijstellen
van histamine kunnen leiden. Meestal zijn ze van exogene oorsprong,
en aan de top van de lijst tronen de vrije radicalen. Vermits dezelfde
vrije radicalen ook de processen die tot kanker kunnen leiden op gang
brengen en het radicalen vangende vermogen van OPC afdoende is aangetoond,
is het niet zo verwonderlijk dat OPC nu ook met kanker in verband wordt
gebracht. Toen dr. Serge Renaud zijn ratten.
verschillende dranken voorschotelde
om het effect van OPC op de vaatwand na te gaan, constateerde hij bij
de proefdieren die rode wijn dronken twintig tot vijftig procent minder
gevallen van mond en keelkanker.
Vermits wijn drinken uitgerekend tegen
mond- en keelkanker een belangrijk beschermend effect blijkt te hebben,
kan worden aangenomen dat OPC het 'ecosysteem' van mond en keel rechtstreeks
beïnvloedt. Het is dan ook logisch dat OPC net zo goed tegen cariës
kan beschermen. Hiervoor vinden we al een belangrijke aanwijzing bij
heel wat zogenaamde primitieve volkeren, waarvan de mensen hun gebit
in uitstekende conditie houden door op OPC rijke plantedelen te kauwen.
Het gegeven wordt ook door recent
onderzoek bevestigd. In 1966 ontdekte een Zweeds bioloog dat catechine,
het monomeer van OPC, cariës tegengaat. In 1989 toonden Japanse
onderzoekers aan dat groene thee een bactericide effect heeft. Ze weten
dit aan de catechine in de thee. In 1992 publiceerden ze de resultaten
van dierproeven, waaruit bleek dat catechine uit groene thee de incidentie
van cariës bij ratten met veertig procent vermindert.
Hoeveel catechine en OPC we dagelijks
nodig hebben, is onbekend. Uit alle klinisch onderzoek dat tot nu toe
werd uitgevoerd en waarin de heilzame invloed van OPC werd bevestigd,
blijkt dat preventief en als onderhoudsdosis vijftig tot honderd milligram
per dag kan worden aanbevolen. In geval van ziekte wordt dat honderdvijftig
tot driehonderd milligram. Door de efficiëntie van OPC zal het
zelden nodig zijn meer dan driehonderd milligram per dag in te nemen,
ofschoon bij een allergische aanval en andere acute toestanden toch
grotere doses aangewezen kunnen zijn.
Volgens Masquelier is OPC een vitamine
die we volledig uit onze voeding moeten halen. Ze zit vooral in de schors,
de pitten, de schillen en de houtachtige delen van planten. Meestal
worden die niet geconsumeerd. Industrieel verwerkt voedsel bevat doorgaans
al helemaal geen OPC rijke plantedelen meer. Fruit wordt geplukt als
het nog niet rijp is, maar hoe rijper het is, hoe meer bescherming tegen
oxydatie het nodig heeft en hoe meer OPC het gaat bevatten.
Ondanks de alomtegenwoordigheid
van OPC, acht Masquelier het dus best mogelijk dat we met tekorten zitten.
In dat geval kan rode wijn helpen.
Ludo Mertens